Lage rente: zegen of vloek?

Dit is de ingekorte versie, lees het volledige artikel hier.

De politiek van de Europese Centrale Bank (ECB) zorgt ervoor dat we ons in een ongezien lange periode van lage rentevoeten bevinden. Wat heeft dit opgeleverd voor onze economie? Welke risico’s zijn eraan verbonden? En is deze situatie nog lang houdbaar? Dat, en nog veel meer, vroegen we aan vier deskundigen: Edward Roosens (Chief Economist & Executive Manager VBO), Koen De Loose (Partner KPMG Advisory), Leonardo Iania (Associate Professor UCLouvain) en Geert Gielens (Chief Economist Belfius). 

Hoe evalueren jullie de lage rente politiek van de ECB? Is dit een goede keuze gebleken?

Koen De Loose (KDL): Ik denk dat de ECB geen andere keuze had en dat er op deze manier een tweede bankencrisis vermeden werd. Ik kan me niet voorstellen wat er bijvoorbeeld in Italië gebeurd zou zijn indien de intrestvoeten relatief hoog waren gebleven. Ik heb er geen bewijs voor maar ik denk dat de situatie in Italië ook wel één van de redenen van de ECB-politiek zou kunnen zijn.

Leonardo Iania (LI): Sinds 2010 kunnen we heel duidelijk twee periodes onderscheiden: eerst barstte de Europese obligatiecrisis los, waarop de ECB met nogal onconventionele maatregelen kwam. Daarna zwakte de crisis af maar kregen we te maken met lage groei en lage inflatie. Een heel ingewikkelde periode, waarin zelfs het risico op het failliet van de euro niet denkbeeldig was. De ECB heeft het goed aangepakt, zeker als je in het achterhoofd houdt dat ze in een onverwachte situatie flink buiten haar mandaat moest optreden, namelijk de prijzen onder controle houden. Ze heeft verhinderd dat de euro werd weggeveegd.

Geert Gielens (GG): Ik ben sceptischer. Zeker wat betreft de quantitative easing (de vergroting van de geldvoorraad door een centrale bank door de aankoop van o.a. effecten, nvdr). De ECB had dat moeten doen toen de eurocrisis losbarstte. In 2015 was het al te laat, de rentetarieven waren al zeer laag. Ik geef toe dat er eigenlijk niet veel anders kon gebeuren. Veel regeringen waren op hun uitgaven aan het bezuinigen waardoor de economie deels tot stilstand kwam. Door volop geld te pompen gaf ze een positief signaal en herstelde ze enigszins het vertrouwen. Daarna is ze gaan overdrijven, zeker vorig jaar. De zwaar negatieve rentes helpen niemand. Ook het massaal opkopen van obligaties is een steriele operatie want de banken zitten gewoon op een hoop overtollig geld. Driekwart van de gecreëerde liquiditeiten verdwijnt elke avond weer opnieuw in de kluizen van de ECB.

In de EU groeien de verschillen in inflatie. In België kennen we een relatief hoge inflatie en lage rente: is dat houdbaar?

Edward Roosens (ER): In België hebben we een inflatiecijfer van 2,7% (jan. 2017, nvdr) en een jaarstijging van 2,1% van de gezondheidsindex. Dat relatief hoge stijgingsritme van de prijzen heeft veel te maken met overheidsmaatregelen rond elektriciteits-, gas- en waterprijzen. Als je de kerninflatie bekijkt, zitten we maar op 1,5%. In de EU-zone is dat 1,1%. Dat verschil is dus niet gigantisch. Maar ondanks dat beperkte verschil moeten we in België wel voorzichtig blijven omdat de gezondheidsindex in België automatisch gekoppeld is aan de loonkosten en zo een loon-prijsspiraal in gang kan zetten.

Moet de overheid van de situatie gebruik maken om meer investeringen te doen? 

GG: Ja, maar moet men meer uitgeven of anders uitgeven? Ik denk vooral het laatste. Een groter deel van het budget zou bijvoorbeeld naar infrastructuur moeten gaan. De grote vraag is natuurlijk ook: wat is een investering? Meer ziekenhuizen of rusthuizen? Die worden ook een investering genoemd, maar eigenlijk zit daar minder puur economische waarde in. 

ER: De moeilijkheid is: wat is een netto-investering in productie-infrastructuur? Bij het VBO beperken wij dit tot mobiliteit, energie en digitaal. Omdat daar het grootste potentieel zit voor groei.

Hoe zien jullie de intrestvoeten evolueren?

GG: Gaan we terug naar het historisch gemiddelde, bijvoorbeeld tussen 1990 en 2010 toen het pakweg 5% was? Ik denk het niet. 2,5% misschien wel, 3% misschien ook. Maar meer? Neen.

Welke risico’s lopen we met zulke lage rentes? Moeten we vrezen voor een bubbel?

LI: Laten we het simpel bekijken: jij bent investeerder. Op staatspapier heb je bijna geen rendement meer. Hoe zorg je dan voor extra inkomsten? Door meer risico aan te gaan.

ER: Ik zie niet zo geweldig veel speculatieve bubbels. Ik denk dat de voornaamste slachtoffers van de lage rente vooral de banken zijn, die hun rentemarge zien verkleinen. En de verzekeringsmaatschappijen die het moeilijk krijgen om de beloofde rendementen op levensverzekeringen te behalen.

En wat is de impact voor de Belgische gezinnen en bedrijven?

ER: Er zijn mensen die met het herfinancieren van hun lening een betere zaak hebben gedaan dan met alle belastingvoordelen van de staat de afgelopen jaren (lacht). Je mag het positief effect van een herfinanciering niet onderschatten.

GG: Maar mensen met kapitaal krijgen net veel minder intresten. Twintig jaar geleden kreeg je omgerekend misschien 1.000 EUR intresten per jaar. Nu krijg je pakweg 15 EUR intresten en moet je meer kosten betalen.

ER: Voor ondernemingen is de situatie anders. Zij houden niet voortdurend de rentevoeten in de gaten om dan plots te gaan investeren als een bepaalde grens doorbroken wordt. Na 2008 werkte het kredietkanaal ook niet meer. De banken zaten in nauwe schoentjes, krediet verlenen aan bedrijven was moeilijk te combineren met het opkuisen van hun balansen. Maar sinds twee à drie jaar zijn banken actief op zoek naar goede projecten. De kredietvoorwaarden zijn soepeler geworden. We zien ook dat de intresten voor risicovollere projecten aan het dalen zijn, met tarieven van 2,5 à 3,5% op tien jaar.

Heeft de lage rente eveneens een impact op het traditionele zakenmodel van de banken?

GG: Ongetwijfeld. Wij investeren stevig in alles wat digitaal is. Iedereen zoekt nieuwe bronnen van inkomsten. Zoals via het verkopen van een app aan kleinere buitenlandse banken die de knowhow of middelen niet hebben om zelf een app te ontwikkelen. Grote banken hebben het iets gemakkelijker omdat hun kosten wat lager zijn en ze meer voordeel uit data en informatie kunnen puren. Maar schaal is ook niet alles …

KDL: Veel hangt natuurlijk af van wat je doel is, van de verwachtingen van je rendement op eigen vermogen. Belgische banken kunnen niet meer in dezelfde mate terugvallen op de intrestmarges. Meer fee business is een mogelijkheid. De kosten naar beneden halen ook, die zijn nog altijd véél te hoog in België. En - indien een rendement op eigen vermogen van ongeveer 10% als doel wordt gesteld - misschien ook wat meer risico nemen.

GG: Dat is het tegenstrijdige in de Europese regels. Aan de ene kant wil men zeer lage rentevoeten en aan de andere kant wil men zeer veilige en winstgevende banken. Dat gaat niet samen.

LI: De markt is voor banken behoorlijk uitdagend. Je hebt de lage intresten maar ook de concurrentie van allerlei fintechbedrijven. Ik denk dat banken moeten nadenken over wat hun core business is. De digitalisering kan hier een hefboom zijn. Ook voor de klant kan dit voordelen bieden, met meer op maat gemaakte diensten.

GG: We praten nu over fintech als een bedreiging voor de banken maar het kan ook een verrijking zijn. Als je het digitale concept helemaal omarmt, bind je je klant aan je bank.

KDL: Banken investeren 1 tot 2% van hun omzet in R&D. Bij techbedrijven is dat 10 tot 20%. Wij hebben de oefening gemaakt hoe de bank er in 2030 zal uitzien. Eén scenario is The Invisible Bank.  De back end, de transactionale infrastructuur, wordt verzorgd door een utility die meerdere spelers/banken kan bedienen. De bank zelf wordt beperkt tot een productfabriek waar ook aan risicomanagement gedaan wordt, want daar zijn banken goed in. Maar mensen zullen de bank dus niet meer zien.

Dat is een scenario maar is dit hét scenario?

KDL: De snelheid waarmee banken zichzelf transformeren, ligt in elk geval véél te laag. En we staan nog maar aan het begin van de omwenteling. Als dat zo doorgaat, hebben banken een serieus probleem tegenover de techbedrijven, die véél sneller gaan en meer klantgericht zijn.

ER: Het risicomanagement gaat belangrijk blijven voor banken, denk ik. Je kan veel digitaal voorbereiden en daar artificiële intelligentie op loslaten maar in een kredietdossier blijft het persoonlijk contact toch belangrijk.

KDL: Zeker, maar overschat dat ook niet. Wij hebben onderzoek gedaan naar de klantenervaring bij bankklanten die enerzijds uitsluitend door mensen werden bediend en anderzijds bij klanten die alles digitaal deden. De tevredenheid bij die tweede groep lag hoger dan bij de eerste.

België heeft een heel divers bankenlandschap, met banken die specifiek blijven inzetten op fysieke nabijheid …

KDL: Ik denk dat er vooral een toekomst is voor grote retailbanken die de middelen hebben om te investeren en voor kleine, gefocuste nichespelers. Die zijn soms zeer winstgevend en zullen dat ook blijven. Maar de banken die hiertussen schipperen, lopen risico’s.

LI: Een groot voordeel dat de bankensector heeft, is de hoeveelheid data waar hij opzit. Als je op maat gemaakte diensten maakt, is dat een troef tegenover al die kleine fintechbedrijfjes.

KDL: Maar dat kan allemaal heel vlug veranderen. Kijk naar de PSD II (Payment Service Directive)-regels: banken moeten hun data met derde partijen delen. Als de klant daarmee instemt, natuurlijk.

En wat betekent dit voor de klanten?

GG: Zij zullen vooral toegang krijgen tot meer diensten en een beter zicht op de markt en de concurrentiewerking. De transparantie zal verbeteren en daardoor ook de competitiviteit.

ER: Vooral het mobiele aspect zal verbeteren. Ik hoop ook dat er nog heel wat start-ups en scale-ups komen die zich op de verschillende noden van de klant gaan storten. Echt begrijpen wat die klant nodig heeft, wat zijn noden zijn … Dat laat zich niet zo gemakkelijk standaardiseren.

KDL: De meest succesvolle banken worden diegene die het meest klantgericht zijn. Banken die afstappen van de pure productaanpak en die hun data zo goed en zo efficiënt mogelijk inzetten. Wat dat betreft, lopen we volgens mij in België achter. Als ik zie wat Britse banken doen met data-analyse, artificiële intelligentie, robotica, de blockchain … Daar staat men twee, drie stappen voor op ons.

Over naar Brussel dan. Met fintech-platformen als B-Hive proberen we ons internationaal op de kaart te zetten. Hoe kunnen we dat nog verbeteren?

ER: Tot voor een paar jaar was Brussel voor de meeste mensen “de hoofdstad van de EU”. Nu is het een plaats waar verschillende delen van de overheid mekaar bevechten, waar het lastig is om te investeren, waar chaos heerst, waar de infrastructuur ondermaats is en het verkeer een ramp … Dat soort problemen moet zo snel mogelijk verdwijnen. We hebben net de Brexit gehad. Tien jaar geleden zou elk financiële instelling in Londen naar Brussel gekeken hebben om er zich te vestigen. Nu staan we totaal niet op de kaart … Dat is toch tragisch?

LI: De regering zou initiatieven rond betalingssystemen meer moeten ondersteunen. Het zou doodzonde zijn mocht Parijs of Frankfurt hier de leiding nemen als een SWIFT of een Euroclear al in België gevestigd zijn.

GG: Als je de technologieën omarmt en goed weet te gebruiken, wordt het een geval van the winner takes it all. Daar moeten we naar streven. Onze betalingsinstituten hebben al een bewezen staat van dienst. We hebben daarnaast hoogopgeleide mensen. Maar ik geef toe: rond Brussel hangt geen vibe. De regering zou meer actief moeten helpen een omgeving creëren waarin je fintechs aantrekt en zo een netwerk opbouwt.